zoek
Vol. 3, No. 1 (Autumn 2012) Published on November 1st, 2012
Download Edition
Vol. 1, No. 2 (Summer 2010) Contents
Bericht uit Tokyo Rien ne va plus
Column by Bas Valckx
Verschuivende perspectieven
Article by Willem van Gulik
Cha Zen ichi mi
Calligraphy by Arthur Witteveen
Priests, money and women: religion in Seji kenbunroku
Article by Mark Teeuwen
Het verhaal van de zwerfhond
Article by Frans B. Verwayen
Colophon
Current Edition Archives About TNJR
Subscribers
Download Article
next

Isaka Yōko (1949): Het verhaal van de zwerfhond

Article by Frans B. Verwayen
 
Isaka Yōko (1949)
Het verhaal van de zwerfhond
 
Ik ben een zakkenroller, maar dat ik dat ben, daar schaam ik mij niet voor. Wat ik pik geef ik niet terug. Dat is het principe.
Ik was nog jong, toen heb ik eens een meisje gerold dat het avondblad verkocht. Was het nog Taishō, of net Shōwa geworden? Toentertijd was de avondkrant twee bladen voor drie cent. Dat het zielig was, daar dacht ik niet aan. Ze stond nou eenmaal in de regeringswijk die ik mijn werkterrein gemaakt had. Voor mij was het business.
Toch zat ik er een beetje mee, dus was ik opgelucht te zien dat zij er de avond daarna ook weer stond.
Maar nu zat, terwijl zij om kopers te trekken, kling klang, met een bel stond te zwaaien, een haveloze hond aan haar voeten met mistroostig afhangende oren.
Pech, dacht ik. Dat zal ter beveiliging zijn.
Ik stak haar wat kleingeld toe en vroeg om de avondkrant. ‘Is dat jouw hond?’ sprak ik haar aan.
‘Nee, hij is zomaar aan komen lopen. En ik gaf hem niet eens iets te eten of zo.’
De hond keek op naar mijn gezicht met lege ogen.
‘Koop hiermee maar iets voor hem.’
Ik drukte haar het geld van gisteravond in de hand en ging er vlug vandoor. Voor zo’n gebaar schaamde ik mij juist wel.
Daarna, voor enige dagen, zag ik het meisje niet meer. Nou ja, misschien stond zij wel op haar straathoek, maar ik deed elders mijn zaken. In louter geestdodendheid waren de ongezonde dagen voortgegaan.
Mijn werk was een stapje bergafwaarts gegleden toen een makker van vroeger iets van zich liet horen; we zouden elkaar ‘s avonds treffen. Een makker was hij, maar het was er niet zo een: hij had een baan bij een bedrijf.
In die tijd, toen we gefascineerd van Gorki tot Tsjechov en Artsybashev lazen en, als we samenkwamen, niet konden laten vol vuur te blijven discussiëren, waren we allemaal jong. We zorgden dat we elkaar minstens elke drie dagen ontmoetten en over de straten diep in de nacht liepen we eindeloos rond en konden maar niet uit elkaar gaan.
‘Kijk nou eens, wat doen we toch een prachtig werk’,
zeiden we steeds op luchtige toon, maar zonder te merken wanneer precies raakten we toch uit elkaar en waren maanden en dagen als een pijl voorbijgevlogen. Iedereen kwam aan een vrouw, is nog vader geworden ook.
Toen ik op weg was naar de plek waar ik met mijn vriend had afgesproken was ik volledig mijn gezicht van nu vergeten. Plotseling hoorde ik een hond droevig janken.
Het was dat meisje van eerst, ze was die haveloze hond aan het slaan.
De hond drukte zich tegen de grond en terwijl het meisje maar doorging verroerde hij zich niet. Het meisje sloeg hem onbarmhartig met haar vlakke hand en toen, in schreien uitbarstend, knielde ze en drukte de hond tegen zich aan.
En aantal mensen keek zwijgend toe. Ik voelde de neiging te vluchten en rende naar de winkel waar mijn vriend wachtte.
—   1 of 3   —
next
next